Column Frieda Joris - Mijn vriend het venijn

Een gedrocht werd mijn beschermengel
Frieda Joris, journaliste
Uit Leven, editie 65, januari 2015

Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Toen we een kleine veertig jaar geleden ons huis kochten stond hij er al. De venijnboom, ook wel genoegzaam taxus genoemd. Ik vond hem niet echt mooi maar met onze beperkte middelen van toen hebben we hem laten staan bij het fatsoeneren van onze voortuin. Hij stond er duidelijk al zeer lang en een oude boom verplant je niet tenzij je er een gegronde reden voor hebt en veel spierkracht, of genoeg geld om anderen de klus te laten klaren. Het onkruid en de warrige struiken sneuvelden en werden in de loop der jaren vervangen, maar de taxus bleef overeind. Hij werd niet gespaard uit grote liefde of bewondering, eerder uit gemakzucht.

Dat gebrek aan genegenheid en erkenning voor zijn trotse bestaan had overigens totaal geen weerslag op de boom. Hij bleek immuun voor liefdeloosheid maar groeide en bloeide voort, zelfs tijdens het zandstralen van de gevel achter hem. Hij schoot hoog op tot aan de eerste verdieping en nam ook in omvang aardig toe. Bij felle wind klauwden en krasten zijn takken tegen het raam, net een poes die met aandrang eist om binnen gelaten te worden. Een beetje venijnig van hem, ja. Ach, van een storm wordt nu eenmaal geen enkel levend wezen vrolijk.

Mijn gebrek aan empathie voor deze weerbarstige boom werd er niet beter op toen ik hoorde dat hij niet alleen weinig esthetisch maar ook hoogst giftig was. Al zijn onderdelen bevatten taxine, een alkaloïde die menig in het wild grazend dier fataal is geworden. Want die taxus is in feite heel geslepen. Alleen zijn bessen zijn niet giftig en zouden zelfs lekker zijn, maar de zaden die erin zitten zijn dodelijk. Venijn smaakt zoet, dat is bij deze boom letterlijk te nemen.

Toen de kerk haar gestorven discipelen nog in de schaduw van de klokkentoren begroef werden daar veel taxusbomen geplant, zodat landbouwers en herders hun dieren niet zouden achterlaten op die gewijde grond tussen de grafstenen. Want boeren en buitenlui wisten wel beter dan een stadskind zoals ik. Eén hap van het omringende groen en hun vee zou het besterven. Terwijl bij ons de onwetende kat geregeld lag te slapen aan de voet van dit gevaarte. Die boom moest weg, nam ik  me voor. Ooit, als de voortuin nog eens aangelegd zou worden.

En toen kreeg ik kanker, en chemo moest de vrede in mijn lijf herstellen. Helder en koud vocht druppelde via mijn port-a-cath in een diep gelegen ader. Telkens vier zakjes, en één ervan bevatte een medicijn dat zijn heilzame bestanddelen dankt aan... zo’n door mij vervloekte taxusboom. Het gif is zo krachtig dat het werd verdund met chemicaliën. Het moest me tenslotte redden, en me niet in die gewijde grond doen belanden waar ik sowieso niet thuishoor.

Het besef sijpelde even gestaag als het vreemde vocht mijn wezen binnen. Het gedrocht in mijn voortuin, dat ik tot elke prijs uit wou roeien, is nu verdorie mijn beschermengel. Leve de natuur! Sedertdien is de taxus mijn vriend en al ben ik niet de meest bezielende bomenfluisteraar, hij weet dat hij nu voor de eeuwigheid gevrijwaard blijft. We hebben ondertussen iets gemeen. Net als bij hem zit het venijn nu ook in mijn bloedbaan.

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.