Column Frieda Joris - 'Hoe gaat het met jou? Alles goed?'

Waarom vraagt hij nu of het goed gaat? Hij wéét toch dat ik kanker heb?
Frieda Joris, journaliste
Uit Leven, editie 62, april 2014

Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

G is nog herstellende van een ingrijpende behandeling tegen een slepende ziekte, zoals dat eufemistisch heet. Maar ze weert zich met een verbetenheid en een veerkracht die ik bewonder en die ik niet bij haar vermoedde. Ze houdt hoofd en rug kaarsrecht, de balletlessen uit haar jeugd sieren de vrouw tot op de onzalige dag van vandaag. Ze vecht, zit niet te snotteren in een hoek maar komt buiten en houdt met haar blonde pruik met klasse de schijn op.

Ze weert zich met een verbetenheid en een veerkracht die ik bewonder en die ik niet bij haar vermoedde.

Een laag fond de teint en een beetje poeder geeft opnieuw blos op haar vaal geworden gezicht en de wenkbrauwen zijn bijgetekend met een zacht potlood. Als je niet te nauw kijkt staat daar weer de G van vroeger. Wijzer geworden, dat wel. Meer ervaren ook en met gevoeliger antennes dan voor de ramp, en ik vraag me af of dat binnenkort haar werk als personeelsmanager makkelijker dan wel moeilijker zal maken. Want ze was bijzonder veeleisend voor zichzelf en anderen moesten aan hetzelfde tempo volgen. Die kanker haalt haar en alle zekerheden waar ze rotsvast in geloofde onderuit. Hoe kan ze straks nog de keiharde tante spelen nu ze weet wat het betekent om op de rand te balanceren?

We staan zij aan zij op een receptie als een man met uitgestoken hand op haar toestapt, duidelijk blij haar te zien. ‘Hoe gaat het met jou? Alles goed?’, zegt hij. En ineens, in een bliksemschicht, zie ik G pisnijdig worden. Haar ogen spuwen vuur, haar stem slaat over en ze snauwt: ‘Neen, Het Gaat Niét Goed!’ De man verbleekt en schraapt de keel. Zijn hand valt doelloos langs zijn maatpak, zijn mond valt open en hij kan nog net met de snelle beweging van zijn tong een stukje toast tegenhouden.

In opperste verwarring druipt hij af en sukkelt naar het buffet op zoek naar een servet. G kijkt hem na en is nog altijd kwaad maar ik merk dat ze toch spijt heeft van haar uitbarsting. ‘Waarom vraagt hij nu of het goed gaat? Hij wéét het toch, hij moét het gehoord hebben’, gromt ze nog en ik zie hoe ze probeert haar tranen te verdringen.

Voor wie piekert, ziek is of verdrietig is de vraag ‘Alles goed?’ zoveel als een mokerslag.

Ik voel met haar mee, maar ook met hem. Hij had wellicht de beste bedoelingen maar voor wie piekert, ziek is of verdrietig is de vraag ‘Alles goed?’ zoveel als een mokerslag. Vaak wordt die gemeenplaats ook nog gelanceerd zonder enige interesse, gaat de betrokkene er vanzelfsprekend vanuit dat alles oké is en wacht hij niet eens op een antwoord. En o wee als die ander onverbloemd durft te bekennen dat het niét goed gaat. Dan eindigt het gesprek meestal daar, zeker op een receptie met koude wijn en warme hapjes.

G herpakt zich en verdwijnt even naar het toilet om het goed gecultiveerde masker weer wat bij te pleisteren. Ze is zich ervan bewust dat ze ondanks alle hulpmiddelen ook nog een goede actrice moet zijn om de werkelijke toestand te verbergen want bij het minste barst de beschermlaag. Een onschuldige dooddoener als ‘Alles goed?’ is al genoeg. 'Dooddoener', wat een woord. Sorry, waar haal ik het? Voor de rest met mij alles goed, dank je.

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.