Column Frieda Joris - Een werk van barmhartigheid

Ik ruik de kwalijke geur van chemo nog tussen de lussen van mijn breiwerk door
Frieda Joris, journaliste
Uit Leven, editie 68, oktober 2015

Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Onderaan, diep verborgen in de donkere hoek van een lade, vind ik een half afgewerkte wintersjaal. Breinaalden er nog aan, de bol wol achteloos samengepropt op de scherpe punten zodat er geen steek kan vallen en een ladder ontstaat.

In januari 2001 ben ik eraan begonnen met de bedoeling er, op hoop van zegen, de vrieskou van 2002 mee te trotseren. Ik ben geen goed geoliede machine en zeker waar het handwerk betreft een amateur eerste klasse. Ik heb mijn tijd nodig, maar dat had u al begrepen. Ook wat het opruimen van laden betreft, maar dat doet hier nu even niet ter zake.

In die voorbije veertien jaar heeft de wol geen krimp gegeven. Roestbruin, olijfgroen en beige gespikkelde tweed: het garen ziet eruit als nieuw na zijn jarenlange eenzame opsluiting. De kleuren zijn nog altijd even prachtig, de steken regelmatig: werk waar ik in normale omstandigheden trots op zou zijn. Maar… ik krijg er de kriebels van. Want die half gebreide sjaal herinnert me aan mijn behandeling tegen kanker. Mijn fantasie speelt me waarschijnlijk parten maar ik meen de kwalijke geur van chemo nog tussen de lussen door te ruiken. Wol, bezwaard met de erfzonde. Met de bittere nasmaak van verloren onschuld. 

Ik brei alleen in tijden van crisis. Eén rechts, één averechts was een afleiding tijdens mijn kankerbehandeling.
Frieda Joris

U moet weten: in tegenstelling tot mijn moeder brei ik nooit, of zo goed als. Twee truitjes heb ik op mijn actief. Eentje voor mijn oudste zoon met ingebreide wolken en een kip. Eentje voor mijn jongste met een bonte koe op de borst. Het was een creatief hoogtepunt dat samenging met in verwachting zijn en zijn weerga nooit meer zou kennen. Met maat 'zes maanden', een bescheiden succes. Dat was al hooi genoeg op mijn vork en meer schapen wilde ik er niet voor laten scheren. Na dragen heb ik de truitjes zelfs ingekaderd, zo fier was ik erop. Maar daar is het bij gebleven. Tenminste, wat voltooid handwerk betreft.

Sedertdien brei ik alleen in tijden van crisis. Om de verveling te verdrijven als ik, buiten mijn wil om, veroordeeld ben tot verplichte rust. Als ik de boeken en televisiefeuilletons kotsbeu ben, en toch werkloos moet blijven tot mijn wonden geheeld zijn. Eén rechts, één averechts was een afleiding tijdens mijn kankerbehandeling. De repetitieve gebaren hielpen soms om mijn gedachten te ordenen maar dienden evengoed om alle hersenspinsels op te ruimen. Zo geconcentreerd was ik dat ik alleen die ene lus na de andere tot leven zag komen, ondertussen een wonderlijk samenhangend geheel vormend. Het was een werk van barmhartigheid, opgezet uit mededogen met mezelf. Een bezigheid die niet voor herhaling vatbaar is, want het doet me nu alleen aan donkere tijden denken. Waarbij tussen twee slagen door wel eens een onprettige bijgedachte de kop op stak. Zal ik die sjaal ooit dragen? Haal ik die volgende winter wel?

Met mezelf is alles uiteindelijk goed gekomen, dank u. Alleen die sjaal, dat wordt nooit wat. Hij zal, hoop ik, nooit af geraken.

 

Uw reactie op dit verhaal is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.