Column Frieda Joris - De troost van de schoonheid

Onder zijn witte doktersjas woekert het verstikkende gevoel van onmacht
Frieda Joris
Uit Leven, editie 83, juli 2019

Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Filip Claessens

In de wachtzaal liggen een paar verpieterde magazines, zeker vijf maanden over tijd. Vooral nieuwkomers bladeren erin bij gebrek aan beter, want door de wol geverfde patiënten nemen hun voorzorgen. Een boek, een krant en natuurlijk de onvermijdelijke smartphone om de tijd te doden. Die virtuele wereld is immers ongevaarlijk, een perfect middel om je te verbergen voor de vaak wrede realiteit erbuiten.

In de wachtzaal praten met de buurman of overbuurvrouw houdt het risico in andere ellende te moeten aanhoren

Struisvogeltactiek om niet met de omgeving geconfronteerd te worden en vooral om geen gesprek te moeten beginnen met de andere wachtenden. Want praten met buurman of overbuurvrouw houdt het risico in andere ellende te moeten aanhoren. Zelfs koppels blijven in dit decor uitzonderlijk stil. Denken aan het gesprek bij de dokter, aan de vragen die ze niet mogen vergeten te stellen. En duimen om straks met een opgelucht gevoel weer naar buiten te kunnen.

Het gezelschap kijkt amper op als er weer een lotgenoot op een van de stoelen in de antichambre neerploft. Met uitzondering van die éne man die alle ogen naar zich toe zuigt. Hij komt zo uit een autoreclame gestapt met spieren op plekken waar de meeste veertigers het resultaat van te veel bier en barbecuesaus opslaan. Knap, goed gekleed, fit en gebruind. Ik durf er mijn ziel op te verwedden dat er een sixpack onder zijn hemd schuilgaat.

Ook ik ruk me los van de machtswellustige Bourgondiërs op mijn schoot om dit ogenschijnlijke toonbeeld van gezondheid te bewonderen. En we denken allemaal ongetwijfeld hetzelfde. Die man hoort hier niet thuis, en toch ... Kanker is een sluipmoordenaar. Spaart niets of niemand.

Als mijn oncoloog me komt ophalen, zie ik onmiddellijk dat er iets mis is. Hij stapt niet maar sleept zichzelf voort. Diep in gedachten, het hoofd gebogen. Eens binnen in de privacy van zijn consultatieruimte verontschuldigt hij zich. Hij is er vandaag niet met zijn gedachten bij, bekent hij eerlijk, hij worstelt zich vertwijfeld doorheen zijn werkdag.

‘Wat gebeurt er?’, vraag ik. ‘Mijn vrouw’, antwoordt hij met enige moeite. Ik had haar nog op de Boekenbeurs gezien, ik wist dat ze een uitgezaaide borstkanker had en ongeneeslijk ziek was. Nu is ze terminaal en zelfs hij, specialist ter zake, kan haar niet meer behoeden voor erger. Is niet in staat om haar te helpen, hij die honderden, misschien duizenden weer op de been hielp. Afgezien van het wanhopige verdriet dat hij zijn partner moet afstaan, woekert onder die witte doktersjas ongetwijfeld ook het verstikkende gevoel van onmacht.

En ik schaam me bijna, omdat ik zo gezond ben

Ik weet niet meer goed wat zeggen en mijn arts gaat, op automatische piloot, over tot de gewone gang van zaken. Die is wat mij betreft banaal, mijn jaarlijkse controle. Vannacht schoot er weer even een donkere nachtmerrie door mijn hoofd, een klassiek gebeuren bij de inspectie. Maar vandaag lijkt dat allemaal futiel nu ik geconfronteerd word met het schrikbeeld van die andere realiteit.

‘Het ziet er goed uit’, zegt hij, terwijl hij de resultaten van de bloedanalyse, mammo- en echografie bekijkt. En ik schaam me bijna, omdat ik zo gezond ben.

In het buitengaan kruist mijn oog de sixpack die tegen de koffieautomaat leunt. Even schijnt de zon en ik besef: schoonheid troost.

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.