Column - De pinguïnwalk

Ik had totaal niet door dat mijn pijnlijk ontwaken wel eens aan de hormoontherapie kon liggen.
Frieda Joris
Uit Leven, editie 74, april 2017

Frieda Joris, journaliste en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Silvie Bonne

Vriendin K. sukkelt met het nodige gekreun uit haar bed. Strompelt als een vleugellam vogeltje naar de badkamer, één been als een dood gewicht met zich mee sleurend. Ze doet me denken aan Nikkelen Nelis, de straatzanger die met een stramme en onnatuurlijke beweging zijn been zwaait en strekt om de knuppel tegen de grote trom te slaan die op zijn rug is  vastgebonden. Hoewel de doffe en holle slag in de onderbuik meestal nog lang natrilt, kan zo'n eenmansorkest niet concurreren met het effect dat K. op ons heeft. Zonder toeters, trommel of bellen, enkel met een paar vloeken. ‘Verdomme. Pffff. Aie aaaiee. Fuck’. 

Ik lig nog soezend onder zeil, volg met één lodderig oog haar manke pogingen en ben op slag wakker. Ik schiet in een niet te stuiten slappe lach die ook de andere kamergenoten en K. zelf aansteekt, en meteen het hele hotel uit zijn slaap haalt. Zo hilarisch, zo herkenbaar is de situatie. 

Want wij, die net als K. borstkanker hebben gehad, zijn er bij het ochtendkrieken even betreurenswaardig aan toe. De jongste onder ons is een veertiger, de anderen zijn vijftigers en ik heb zelfs de zestig kaarsjes al uitgeblazen, en toch kruipen we alle vijf als een tachtigjarige de nieuwe dag tegemoet. Steunend en zuchtend, met stramme spieren en tegenspartelende gewrichten. Tot die gezamenlijke vakantie hadden we niet door dat dit een gedeelde smart was. ‘Wat? Jij ook? Ik dacht dat het de leeftijd was…’ Neen dus.

De jongste is de enige die weet dat het om nevenverschijnselen gaat van de pillen die we eendrachtig slikken tegen de aanmaak van oestrogeen. Of misschien is zij de enige die onthouden heeft wat de oncoloog vertelde, en waren wij selectief doof als het om bijkomende ongemakken gaat. Oké, oorzaak en gevolg staan ook vermeld in de bijsluiter, maar die kleine lettertjes getuigen van zoveel ellende dat een weldenkend mens ze voor zijn eigen gemoedsrust amper leest en er alleszins niet bij wil blijven stilstaan. Ik had die wetenschap alvast in die mate uit mijn geheugen gewist dat ik totaal niet door had dat mijn pijnlijk ontwaken wel eens aan de hormoontherapie kon liggen. Daarbij, een mens verlegt zijn grenzen constant en die kwaaltjes zijn verwaarloosbaar vergeleken met de behandelingen die we al hebben moeten doorstaan. 

Helaas blijven de stijfheid en de pijntjes niet beperkt tot het ochtendritueel. Ze hinderen ons ook als we een tijdje hebben stilgezeten en zeker na een lange autorit. Dan komen we schokkend en trekkend, langzaam in beweging. ‘Verdomme. Pffff. Aie aaaiee. Fuck’. We waggelen als een meute pinguïns, sjokken minutenlang koddig achter mekaar aan en lachen ons een breuk bij het zien van de anderen. De pinguïnwalk noemen we het fenomeen, en nu het kind een naam heeft, is het alsof dat helpt. Na een paar minuten slagen we erin ons normaal voort te bewegen, en zijn we de pijn weeral vergeten. 
Ik wil maar zeggen: op vakantie gaan met lotgenoten heeft een verhelderend én helend effect. 

 

Uw reactie op dit verhaal is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.