Chirurgie

De meeste mensen die kanker hebben, worden in de loop van hun behandeling geopereerd. Wat is het doel van chirurgie en van weefselonderzoek? Welke voorafgaande onderzoeken zijn nodig? Welke complicaties kunnen zich voordoen en hoe ermee omgaan?

Doel chirurgie

De diagnose kanker wordt gesteld nadat het verwijderde gezwel microscopisch onderzocht is

Een chirurgische ingreep bij kanker kan verschillende bedoelingen hebben:

  • Diagnostische chirurgie: eerst wordt een stukje weefsel weggenomen (zie ook punctie en biopsie) om de precieze diagnose van een gezwel te kunnen bepalen. Als ergens een geïsoleerd gezwelletje wordt ontdekt, waarvan men weet dat het er niet thuishoort, en het is redelijk gemakkelijk bereikbaar, dan zal al snel beslist worden het in zijn geheel weg te halen om het te analyseren. Pas als het verwijderde gezwel microscopisch onderzocht is, wordt de diagnose gesteld.
  • Stadiëringschirurgie: een operatie kan ook dienen om het stadium van de ziekte vast te stellen: dat is de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid (zie ook stadia en graden).
  • Curatieve (genezende) chirurgie: het kwaadaardige gezwel (de tumor) wordt zo volledig mogelijk weggenomen; vooral voor tumoren die zich nog niet uitgezaaid hebben. Hoeveel er wordt weggesneden, is afhankelijk van de plaats van de tumor, de afmeting en het type. De chirurg verwijdert meestal ook een marge gezond weefsel, al dan niet samen met de lymfeklieren in de buurt, om de kans te vergroten dat alle kankercellen weg zijn.
  • Palliatieve chirurgie: bij een uitgezaaide kanker kan chirurgie zinvol zijn om de primaire tumor of uitzaaiingen (metastasen) weg te nemen omdat ze bijvoorbeeld drukken op bloedvaten, zenuwbanen of de hersenen en zo coma of pijn kunnen veroorzaken. Het weghalen van de primaire tumor of metastasen kan de druk wegnemen, waardoor de nevenwerkingen ook verminderen of verdwijnen. Palliatieve chirurgie kan ook toegepast om een obstructie (blokkade of afsluiting van een orgaan) te voorkomen of ongedaan te maken, bijvoorbeeld bij slokdarmkanker. Palliatieve chirurgie geneest de ziekte niet, maar verbetert wel de levenskwaliteit van de patiënt.
  • Preventieve chirurgie: bij mensen met een verhoogd risico op bepaalde soorten kanker, wordt soms preventief weefsel uit een orgaan of een volledig orgaan weggenomen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij mensen met een verhoogd risico op darmkanker of bij mensen met een verhoogd risico op borst- of eierstokkanker (zie ook kanker en erfelijkheid).
  • Reconstructieve (plastische) chirurgie: is bedoeld om de functie van een orgaan of het uitzicht van het lichaam in de mate van het mogelijke te herstellen.

Klassieke open ingreep of kijkoperatie?

Chirurgen aan de operatietafel copyright istockphoto De chirurg verwijdert ook een marge gezond weefsel rond de tumor, al dan niet samen met de lymfeklieren in de buurt, om de kans te vergroten dat alle kankercellen weg zijn.

Heelkunde betekent niet noodzakelijk dat er een grote snede wordt gemaakt. Voor het comfort van de patiënt en om de herstelperiode zo kort mogelijk te houden, wordt waar mogelijk (onder andere afhankelijk van de grootte en de ligging van de tumor) een kijkoperatie toegepast. Met een dunne buis of slang waaraan een lampje en een camera zitten (een endoscoop) kan de arts het letsel van op afstand bekijken op een monitor (zie ook endoscopie). Hij kan ook via extra kleine openingen lange fijne instrumenten inbrengen om zijn ingreep uit te voeren. Indien de ingreep niet vlot kan uitgevoerd worden via een kijkoperatie, wordt er in één tijd overgegaan tot een open ingreep.

Speciale chirurgietechnieken bij kanker

De voorbije jaren werden heel wat nieuwe heelkundige technieken ontwikkeld. Bij de behandeling van kanker kunnen onder andere deze technieken worden toegepast:

  • Laserchirurgie: maakt gebruik van licht om kankercellen te behandelen. Wordt onder meer toegepast om zeer kleine of multipele tumoren (tumoren die op meerdere plaatsen in het lichaam voorkomen) te verwijderen zonder schade aan het omringende weefsel toe te brengen. Nadeel is wel dat er minder tumorweefsel ter beschikking is voor microscopisch onderzoek.
  • Cryochirurgie: de kankercellen worden bevroren. Ook bij deze techniek is er minder weefsel beschikbaar voor microscopisch onderzoek.
  • Elektrochirurgie: er wordt gesneden met behulp van een elektrisch verwarmd mesje, bolletje of draadlusje.
  • Microchirurgie: maakt het mogelijk om zeer klein en delicaat weefsel operatief aan te pakken. De chirurg bekijkt het te opereren gebied voortdurend met de microscoop.
  • Robotchirurgie: chirurgie met behulp van een robot. Dit laat toe de ingreep zeer precies van op afstand uit te voeren waarbij de chirurg een driedimensionaal (3D) beeld geprojecteerd krijgt.

Weefselonderzoek na of tijdens chirurgie

Na de ingreep wordt het weggenomen weefsel in het laboratorium onderzocht op kwaadaardige cellen (zie ook microscopisch onderzoek). Zeer belangrijk hierbij is het onderzoek van de snijranden en lymfeklieren. Als daar geen kwaadaardige cellen in worden teruggevonden, dan is de kans op een volledige genezing groot.

Soms, als een chirurg twijfelt of hij wel ver genoeg is gegaan of wanneer er nog geen specifieke diagnose is, is het mogelijk om nog tijdens de operatie het weggesneden materiaal microscopisch te onderzoeken. Terwijl de patiënt onder narcose blijft, wordt het weggenomen weefsel snel bevroren, in flinterdunne schijfjes gesneden en onder de microscoop bekeken. Deze techniek heet een ‘vriescoupe’. Na de operatie wordt datzelfde weefsel ook nog op de klassieke manier onderzocht. Deze techniek wordt vooral toegepast om bij een operatie te bepalen of een uitgebreide ingreep noodzakelijk is.

Combinatie met andere behandelingen

Chirurgie wordt soms voorafgegaan door radiotherapie of chemotherapie met als doel het tumorvolume te verkleinen of uitbreiding in lymfeklieren te onderdrukken.

Na chirurgie volgen soms andere behandelingen zoals radiotherapie, chemotherapie of hormoontherapie om het risico op herval te verkleinen.

Voor de operatie

Voor een operatie zijn meerdere onderzoeken nodig (vooronderzoeken):

  • Een lichamelijk onderzoek: laat de arts toe zich een algemeen beeld van uw gezondheidstoestand te vormen.
  • Een bloedonderzoek: is onder andere nodig om bepaalde afwijkingen op te sporen (o.a. stolling) en om te weten welk bloed men u snel kan toedienen mocht u tijdens de operatie veel bloed verliezen.
  • Een urineonderzoek: om na te gaan of de nieren goed functioneren en of er geen infecties zijn.
  • Röntgenfoto’s van de longen: de chirurg wil zeker zijn dat er geen verborgen infecties in de longen schuilen zoals een longontsteking, tuberculose enz.
  • Een hartonderzoek (elektrocardiogram): er wordt onderzocht of er een risico bestaat op een hartinfarct of hartritmestoornissen.

Voor de operatie maakt u kennis met de anesthesist, de arts die bij operaties voor de narcose zorgt. Hij of zij bespreekt met u:

  • uw gezondheid,
  • uw medicijngebruik,
  • of u ergens overgevoelig voor bent (bijvoorbeeld voor bepaalde medicijnen),
  • eventuele eerdere operaties die u hebt ondergaan en hoe u toen op de verdoving reageerde.

Zo krijgt de anesthesist een goede indruk van uw gezondheidstoestand.

Na de operatie

Na een operatie moet u zo snel mogelijk weer op de been om te voorkomen dat er zich in uw benen bloedklonters vormen

De anesthesist brengt u weer bij bewustzijn voor u de operatiekamer verlaat door u producten toe te dienen die de slaapmiddelen compenseren. Als uw toestand stabiel is, kunt u overgebracht worden naar de ontwaakruimte.

De dagen nadien gaat bijzondere aandacht naar het voorkomen van complicaties. Zo is het de bedoeling dat u zo snel mogelijk weer op de been bent om te voorkomen dat door het stilliggen ligwonden of bloedklonters worden gevormd in uw benen. Zo’n klonter kan in de longen terechtkomen en een gevaarlijke longembolie veroorzaken. Ook de littekens worden geregeld gecontroleerd op eventuele lokale bloedingen of infectie.

Een operatie kan ingrijpende gevolgen hebben op lange termijn. Enkele voorbeelden:

  • Wie geopereerd wordt voor dikkedarmkanker of blaaskanker, heeft mogelijk een stoma nodig.
  • Bij een patiënt met borstkanker die een borstamputatie heeft ondergaan waarbij ook de lymfeklieren in de oksel werden weggenomen, kan lymfoedeem (zwelling van een lidmaat door onderhuids vocht) optreden.
  • Een laryngectomie (chirurgische verwijdering van het strottenhoofd) bij strottenhoofdkanker heeft ingrijpende gevolgen voor de manier waarop de patiënt ademt en spreekt.
  • Als bij pancreaskanker of maagkanker de maag of een deel ervan wordt weggenomen, kan dit heel wat bijwerkingen en complicaties veroorzaken, vooral wat de spijsvertering betreft.
  • Ook het wegnemen van een stuk of de volledige slokdarm bij slokdarmkanker is een ingrijpende operatie.

Meer informatie over deze en andere mogelijke gevolgen vindt u bij de beschrijving van de verschillende soorten kanker.

Aarzel niet om uw arts uitvoerig vragen te stellen over de voor- en nadelen van de operatie. Ontstaan er na de operatie klachten, overleg hierover dan met uw arts.