Chemotherapie bij dikkedarmkanker

Chemotherapie na een operatie kan in bepaalde gevallen van dikkedarmkanker de kans op herval verminderen door achtergebleven kankercellen uit te roeien die niet te zien waren, en zo de overlevingskansen verbeteren. We noemen dat adjuvante chemotherapie.

De behandeling wordt ook gebruikt bij een uitgezaaide darmtumor: chemotherapie kan de uitzaaiingen soms verkleinen of symptomen van een gevorderde kanker verlichten. Ook daardoor kan de overleving verlengd worden en de levenskwaliteit verbeteren. Bij een aantal patiënten kan men de uitzaaiingen niet terugdringen, maar beletten om verder te groeien en zo ook de overleving van de patiënt verlengen. 

De naam ‘chemotherapie’ verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of hun groei remmen. Deze celdelingremmende medicijnen (cytostatica) worden via de mond ingenomen en/of rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een injectie of met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en ook kankercellen in uitzaaiingen op afstand kunnen bereiken. Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt meestal een combinatie (een ‘cocktail’) van cytostatica voorgeschreven. 

Vaak wordt voor de toediening van chemotherapie onder plaatselijke of algemene verdoving onder het sleutelbeen een poortkatheter ingeplant. Zo’n poortkatheter maakt het mogelijk om op een eenvoudige en veilige manier gedurende langere tijd cytostatica en andere medicijnen en vloeistoffen toe te dienen. Dat is voor de patiënt comfortabeler omdat er niet telkens een ader gezocht moet worden in de arm. Het aanprikken van de poort gebeurt vlotter. Om infecties of verstoppingen zo veel mogelijk te voorkomen, wordt de poortkatheter regelmatig gespoeld (in het ziekenhuis of door een thuisverpleegkundige of de huisarts). Uw arts kan uitleggen waarom een poortkatheter in uw geval wel of niet aangewezen is, en wat u moet doen bij eventuele problemen met de poortkatheter. 

Bijwerkingen

Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, een ontstoken mond, diarree, een verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen, een doof of slapend gevoel en/of tintelingen in de handen en voeten, haarverlies ... Ze verschillen van persoon tot persoon en hangen onder andere af van de soort medicijnen, de hoeveelheid medicijnen en de duur van de behandeling. Om klachten zoals misselijkheid en braken tegen te gaan, wordt meestal preventief al de gepaste medicatie opgestart, die zo nodig tijdens de behandeling kan worden aangepast. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen. Bepaalde bijwerkingen kunnen echter maanden of jaren blijven aanslepen, bijvoorbeeld vermoeidheid, verminderde weerstand, smaakveranderingen, doof gevoel in de vingers ... Meld bijwerkingen altijd aan uw behandelend arts die u raad kan geven hoe u er het best mee omgaat. 

Voor mensen met dikkedarmkanker zijn op dit ogenblik onder andere de volgende cytotstatica beschikbaar: 5Fluorouracil, capecitabine, oxaliplatin, irinotecan en trifluridine/tipiracil (merknaam Lonsurf). 

Meer informatie