Wat is een PET-scan en hoe verloopt dat onderzoek eigenlijk?

Bij een PET-scan wordt licht radioactieve glucose (suiker) ingespoten en met een scanner een computerbeeld gemaakt van de plaatsen in het lichaam waar de stof zit. Kwaadaardige cellen zijn namelijk heel actief en hebben een hoger energieverbruik – ze hebben dus meer brandstof (of glucose) nodig. Als nu zo'n glucose ingespoten wordt, kan men met een PET-scan mooi zien waar in het lichaam er meer glucose opgenomen wordt – en waar er dus meer kwaadaardige cellen aanwezig zijn.

Het onderzoek gebeurt op de afdeling nucleaire geneeskunde van een ziekenhuis door een nucleair geneeskundige. De patiënt moet nuchter zijn. Hij krijgt een kleine hoeveelheid radioactieve glucose ingespoten in zijn arm, gevolgd door een halve liter vocht (via een infuus). Daarna volgt nog een tweede inspuiting met een plasmiddel om de blaas goed te ledigen (dit is nodig om een goede foto te kunnen maken). Het duurt een uur voor de stof overal in het lichaam verspreid is en de opnames gemaakt kunnen worden. In die wachttijd wordt gevraagd om te rusten om het energieverbruik van de spieren zo laag mogelijk te houden. Het zijn namelijk niet de spieren die de glucose moeten opnemen, maar de actieve kwaadaardige cellen.

Tijdens de scan zelf ligt de patiënt op een onderzoekstafel. Het onderzoek (van hoofd tot lies) duurt 30 tot 40 minuten. Hierna wordt gecontroleerd of alle opnames gelukt zijn en of alle delen van het lichaam goed in beeld gebracht zijn. Zo niet, dan worden eventueel extra opnames gemaakt. In totaal duurt het onderzoek ongeveer 2 uur. Er wordt een verslag gemaakt voor de behandelend arts, die het resultaat van de scan bekijkt en op basis hiervan en van eventuele aanvullende onderzoeken een diagnose stelt.