Psychologe Angelique Verzelen: heeft wie vecht tegen kanker meer kans op overleven?

Met heftige gevoelens is niets mis, en ze schaden ook de behandeling of het genezingsproces niet
Angelique Verzelen, oncopsychologe
Uit Leven, editie 65, januari 2015

‘Je moet positief blijven. Je mag je niet laten gaan.’ Het zijn woorden die kankerpatiënten heel vaak te horen krijgen. Impliciet wordt ermee aangegeven dat je een grotere kans op overleven hebt als je vecht tegen de ziekte. Maar daar is geen wetenschappelijk bewijs voor, zegt oncopsychologe Angelique Verzelen.

Auteur: Bart Van Moerkerke - Fotograaf: Lieven Van Assche
Angelique Verzelen, foto Lieven Van Assche

Heeft iemand die zeer actief en met veel positieve energie vecht tegen kanker een betere overlevingskans dan een patiënt die de ziekte zoveel mogelijk van zich afzet of dan iemand die zijn kansen om te overleven veeleer negatief inschat? Veel mensen zullen geneigd zijn die vraag positief te beantwoorden. Ook patiënten die kanker overwonnen, schrijven hun genezing soms voor een deel toe aan hun positieve ingesteldheid, aan hun sterke wil om de ziekte eronder te krijgen.

Maar klopt dat wel? Heeft de manier waarop een patiënt met zijn ziekte omgaat een invloed op zijn overlevingskans? We legden de vraag voor aan Angelique Verzelen, een oncopsychologe die veel kankerpatiënten begeleidt. Ze is ook een van de coördinatoren van het Cédric Hèle instituut waar ze onder andere afgestudeerde psychologen opleidt in de psycho-oncologie.

‘Het is een vraag die niet alleen de patiënten en de mensen in hun omgeving bezighoudt, maar ook de wetenschap,’ zegt Angelique Verzelen. ‘Uit het vele onderzoek dat tot nu toe is gebeurd, moeten we besluiten dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat de manier van omgaan met kanker een invloed heeft op de overlevingskans. Er is dus bijvoorbeeld niet aangetoond dat een vechtersinstelling de prognose van de patiënt verbetert. Ik weet dat dit voor veel patiënten en hun naasten een vervelende vaststelling is. Want precies het geloof dat vechten tegen de ziekte resultaat oplevert, geeft hen een vorm van houvast: ze hebben het gevoel dat ze hun genezing minstens gedeeltelijk zelf in handen hebben, dat ze er iets kunnen aan doen. Onderzoek toont wel aan dat deze actieve manier van omgaan met de ziekte bescherming kan bieden tegen gevoelens van sterke onzekerheid en controleverlies.’

Als je alleen naar de kans op overleven kijkt, is er dus geen slechte of goede manier om met kanker om te gaan?

‘Neen, maar ik wil hier toch een belangrijke kanttekening bij plaatsen. Het is normaal dat iemand die verneemt dat hij kanker heeft, gedurende enkele weken of maanden door een crisis gaat. Als die hevige crisisreacties blijven aanhouden, raken patiënten fysiek en emotioneel uitgeput. Dat mondt dan soms uit in hevige angst of depressie. En we weten dat mensen met een depressie minder aandacht hebben voor zelfzorg, dat ze de neiging hebben zich te isoleren, dat ze de voorgeschreven geneesmiddelen niet altijd even consequent innemen. En zo kan er onrechtstreeks toch een negatieve invloed zijn op de levensverwachting. Patiënten die aanhoudend het gevoel hebben geen grip meer te hebben op hun leven, die niet meer kunnen slapen, die met voortdurende angstgevoelens kampen waardoor ze niet meer kunnen functioneren, zoeken daarom best hulp bij een zorgverlener die hun de gepaste begeleiding en steun kan bieden.’

Angst, het gevoel geen grip meer te hebben. Zijn dat geen normale reacties op een diagnose van kanker?

Iedereen gaat op een andere manier om met kanker. Het heeft geen zin om mensen die van nature geen vechters zijn tot vechten aan te zetten.

‘Absoluut. De diagnose kanker roept heftige emoties op. Het is belangrijk dat patiënten weten dat het volkomen normaal is dat er woede opwelt en dat ze zich afvragen waarom kanker hen overkomt, dat ze angstig zijn voor de toekomst, dat ze verdrietig zijn, dat ze bij momenten jaloers zijn op de mensen die wel gezond zijn. Met die gevoelens is niets mis en ze zijn ook absoluut niet schadelijk voor de behandeling of voor het genezingsproces. Ook tijdens de behandeling zijn er onvermijdelijk regelmatig periodes dat een patiënt in een dip zit en het niet meer ziet zitten. Iedereen kent momenten van hoop en momenten van wanhoop. Het is best niet te veel te vechten tegen die “moeilijke” emoties. Dat kost veel energie en het blokkeert soms zelfs het kunnen voelen van “positieve” emoties. Ook de manier van verwerken verschilt van mens tot mens. Iedereen gaat op een andere manier om met kanker. Het heeft geen zin om mensen die van nature geen “vechters” zijn tot “vechten” aan te zetten.’

Er is geen wetenschappelijk bewijs dat de manier waarop iemand met kanker omgaat een rechtstreeks effect heeft op de genezingskans. Maar hoe zit het met de levenskwaliteit?

‘Minstens één op de vier patiënten maakt een periode door waarbij hun levenskwaliteit ernstig lijdt onder angst of depressieve gevoelens. Psychologische hulp kan ervoor zorgen dat ze weer sneller grip krijgen op hun leven. De meeste kankerpatiënten vinden na enkele weken of maanden een nieuw evenwicht en bouwen hun kwaliteit van leven weer enigszins op. Het is belangrijk dat ze zichzelf de tijd gunnen om overeind te komen en de ziekte een plaats te geven in hun leven. En iedereen doet dat op zijn manier. Sommige mensen uiten hun emoties, anderen juist niet. Je kan niet zeggen dat de ene reactie beter is voor de levenskwaliteit dan de andere. Iedereen heeft een eigen manier van omgaan met kanker.’

Wat kan er helpen om de levenskwaliteit van patiënten te verbeteren?

Soms is er ook een professionele hulpverlener nodig om je dat zetje te geven dat je nodig hebt of je de handvatten aan te reiken die je er bovenop helpen.

‘Het is zeer belangrijk dat patiënten weten wat er op emotioneel vlak met hen kan gebeuren. Het volstaat niet dat ze na de diagnose informatie krijgen over de ziekte en de behandeling, ze moeten ook uitleg op maat krijgen over de emotionele reacties die ze kunnen ervaren, zoals angst, verdriet, boosheid, stress, een verstoord zelfbeeld, enzovoort. In mijn gesprekken noem ik dat vaak “normale reacties in abnormale omstandigheden”. Mensen maken zich namelijk soms onnodig zorgen over hun eigen gewaarwordingen of twijfelen of hun aanpak wel “de juiste” is. Daarom is het belangrijk dat ze de kans krijgen om hierover te praten met een zorgverlener. Die kan concrete handvatten aanreiken, zoals bijvoorbeeld: het is niet zwak om je emoties te tonen tegenover je naasten, of het is oké om hulp te vragen als het fysiek te zwaar wordt of als financiële problemen de kop opsteken. Patiënten moeten het niet altijd alleen dragen. We weten dat de verbondenheid met naasten en de steun van omringenden kunnen helpen om beter met emoties om te gaan. Ook contact met lotgenoten kan, voor mensen die daar steun uit putten, een positief effect hebben op de levenskwaliteit. Velen slagen erin hun veerkracht zelf aan te boren, of ze doen dat met de steun van vrienden of familie, of van lotgenoten. Maar soms is er ook een professionele hulpverlener nodig om je dat zetje te geven dat je nodig hebt of je de handvatten aan te reiken die je er bovenop helpen.’

Niet alleen de patiënt moet omgaan met kanker, ook zijn gezin en directe omgeving moeten dat doen. Kan dat niet tot spanningen leiden?

Angelique Verzelen, foto Lieven Van Assche

‘Net zoals alle patiënten op hun eigen manier omgaan met kanker zijn er ook verschillen tussen de gezins- of familieleden. De patiënt heeft misschien wat tijd nodig om alles op een rijtje te zetten en dat leidt ertoe dat de mensen in zijn omgeving hem zeggen dat hij zich moet herpakken. Het omgekeerde komt evengoed voor: een patiënt hervindt snel een evenwicht en begint veel plannen te maken, wat op onbegrip stoot bij de partner die vindt dat hij de ernst van de situatie onderschat. Of de patiënt wil liever niet te veel praten over de ziekte, terwijl de partner dat net wel wil. Die verschillen in aanpak kunnen zeker voor spanningen zorgen. Die zaken worden het best benoemd, al dan niet onder begeleiding van een psycholoog of andere zorgverlener. Het is met het oog op de levenskwaliteit niet goed een patiënt of zijn omgeving in een richting te duwen waarbij zij zich niet goed voelen: je moet van iemand die geen behoefte heeft om dagelijks zijn emoties onder woorden te brengen, geen prater maken. Ik vind het wel belangrijk dat gezinsleden elkaar af en toe op de hoogte brengen van wie waar mee bezig is en hoe ze elkaar kunnen steunen. Op dit punt moeten zowel de patiënt als zijn familieleden naar een evenwicht zoeken. Zorgverleners kunnen hier toe bijdragen door goed in te spelen op “wie wat juist op dat moment nodig heeft” zodat de patiënt of zijn familie niet geïsoleerd raakt met zijn onzekerheid. Dit is volgens mij cruciaal omdat zich eenzaam voelen, vaak moeilijker om te dragen is dan de ziekte zelf.’

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.