Els Olaerts over de ziekte en het overlijden van haar moeder

‘Wij schermen de dood te veel af’
Els Olaerts
Uit Leven, editie 76, oktober 2017

De moeder van actrice Els Olaerts (59 en o.m. bekend van haar rol als Annemie, de partner van Witse) kreeg op hoge leeftijd kanker. Vijf jaar lang heeft ze gevochten, maar op het eind, in 2015, ging ze snel achteruit. Gelukkig kon ze terecht op een palliatieve dienst, waar personeel en vrijwilligers er alles aan hebben gedaan opdat ze rustig afscheid kon nemen. Els is er die mensen nog altijd ontzettend dankbaar om.

Auteur: Anne Adé - Fotograaf: Leo De Bock
Foto KotK/Leo De Bock

‘Mijn moeder is altijd een kranige vrouw geweest. Na de dood van mijn vader woonde ze alleen thuis. Ze deed niets liever dan in haar tuin werken. Ze was kerngezond, tot ze op haar tachtigste een knobbeltje in haar borst ontdekte. Het bleek om een agressieve vorm van borstkanker te gaan. Op een paar maanden tijd was het knobbeltje uitgegroeid tot een tumor van acht centimeter.

Ze moest sowieso geopereerd worden, en daarna zouden nog bestralingen en chemotherapie volgen. We hielden ons hart vast: zo’n zware behandeling, wat zou dat doen met een tachtigjarige? Maar mijn moeder doorstond alles beter dan verhoopt. Zelfs van de chemo - waar we met zijn allen het meest bang voor waren – had ze in het begin niet veel last. Vijf jaar lang werd ze behandeld.

Bij elke evaluatie bleek dat de tumor kleiner werd. Maar ze had wel al knobbeltjes in haar hals, er waren dus uitzaaiingen. Als die groter werden, wist ze – eerder dan de artsen – dat het weer tijd was voor een nieuwe chemobehandeling. Zo is dat vijf jaar – uitzonderlijk lang eigenlijk – goed gegaan.

Maar op den duur tast die chemo je lichaam zelf aan. Haar beenderen werden ook brozer, haar zenuwbanen raakten aangetast, en ze kreeg enorm veel pijn. Op een bepaald moment is ze ook allergisch geworden voor de taxol in de chemo, en zo hevig in shock gegaan dat ze haar hebben moeten reanimeren. Dat was voor haar het eind van de chemobehandeling. Ondertussen was mijn moeder op eigen vraag verhuisd naar een serviceflat. Door hevige pijn in haar been kon ze niet meer stappen, en van autorijden was ook geen sprake meer. Een serviceflat trok haar aan omdat ze dan weer onder de mensen zou kunnen zijn.’

Wijze vrouw

‘Toen de tumoren in haar hals groter werden, sloot ze zich meer en meer op in haar flat. Ze ging dag na dag achteruit en had steeds meer pijn in haar been. Op aanraden van het ziekenhuis hadden we na het stopzetten van de chemo contact opgenomen met een palliatieve dienst. Eerst wilde mijn moeder daar niet van weten. “Zo erg is het toch nog niet gesteld met mij”, was haar reactie. Maar toen we uitlegden dat die mensen ook konden helpen met pijnbestrijding en het verhogen van haar levenscomfort, wilde ze toch praten met een palliatieve vrijwilligster. Die dame heeft haar meermaals bezocht, en mijn moeder heeft daar veel aan gehad.

Mijn moeder overtuigen om naar de palliatieve dienst te gaan, was een moeilijk moment, ook voor mij. De schuldgevoelens die je dan als dochter voelt, zijn bijna ondraaglijk.

Niet alleen zorgde die vrouw via de dokter eindelijk voor een effectieve pijnstiller, maar ze kon er ook heel goed mee praten. Ik hoef niet te weten waarover hun gesprekken allemaal gingen, ik weet alleen dat mijn moeder ervan opkikkerde. En ik was zelf ook heel dankbaar dat die vrouw zo respectvol met haar omging en over haar praatte. “Wijze vrouw hoor, uw moeder”, zei ze me op een keer. Dat deed me zo’n deugd. In het ziekenhuis waar ze behandeld was, was voor zo’n rustig contact naar mijn gevoel veel te weinig tijd geweest.’

Schuldgevoelens

‘Het moment dat we de volgende stap moesten zetten, en mijn moeder moesten laten opnemen, kwam toch nog onverwacht. Ik was met mijn gezin voor enkele dagen naar de Ardennen vertrokken, en op de eerste avond kreeg ik telefoon van de thuisverpleging. De verpleegster die mijn moeder die dag had verzorgd, was verontrust. Mijn moeder was gevallen, en het ging niet zo goed met haar, zei ze. Ik ben die attente dame nog altijd dankbaar dat ze de moeite deed om dit te signaleren. Want dankzij haar ben ik diezelfde avond in mijn eentje terug naar huis gereden.

Foto KotK/Leo De Bock

Bij aankomst zag ik meteen dat mijn moeder er inderdaad slecht aan toe was. Ze lag op bed, had de hele dag bijna niets gegeten. En ze begon naar mijn vader te vragen, die ondertussen al twaalf jaar dood was. Dat had ze nog nooit gedaan. Ik ben toen twee dagen en nachten bij haar gebleven. Maar het werd duidelijk dat het zo niet meer verder kon. Mijn moeder sliep slecht, had veel pijn, dwaalde midden in de nacht verward rond. Dus heb ik de volgende ochtend naar die palliatieve dienst gebeld om te zeggen dat het tijd was om haar op te nemen.

Het heeft ons toch nog moeite gekost om mijn moeder te overtuigen. We hebben op haar ingepraat en haar bezworen dat ze op de palliatieve dienst beter op adem zou kunnen komen. Uiteindelijk is ze – nog steeds tegen haar zin - toch meegegaan. Bij aankomst was ze heel erg in de war. Ze vond haar kamer niet oké, haar kast was te klein, haar spullen konden er niet allemaal in.

Het was een moeilijk moment, ook voor mij. De schuldgevoelens die je dan als dochter voelt, zijn bijna ondraaglijk. Maar ik ben fantastisch opgevangen door de mensen van die palliatieve dienst. Ze zagen dat ik er compleet door zat. Ik mocht huilen, ze namen de tijd om me te troosten. Je mocht daar alles zijn, alles tonen, zowel de patiënt zelf als de familie en vrienden errond. De onbaatzuchtige inzet van die mensen is zo schoon.’

Waardig afscheid

‘Toen ik de volgende dag terugkwam, kwam een vrijwilligster me zeggen dat ze drieënhalf uur gepraat had met mijn moeder, en dat ze stilaan tot rust gekomen was. Fantastisch dat iemand drieënhalf uur de tijd neemt (en geeft) om met iemand te praten! Mijn moeder wilde toen al niet meer eten, iets waarover ik me uiteraard zorgen maakte. Maar op de palliatieve hadden ze een heel andere kijk op de zaak. Wilde ze niet meer eten, dan hoefde dat niet meer. De dokters zegden ons ook rechtuit dat het niet meer zo lang zou duren. En toen dacht ik: natuurlijk, je moet iemand daar op dat moment niet mee lastigvallen, met dat aandringen om nog iets te eten. Stoppen met eten is een manier om waardig afscheid te nemen van het leven.

Die onbaatzuchtige inzet van de palliatieve hulpverleners is zo schoon. Je mocht daar alles zijn, alles tonen, huilen, ze stonden altijd voor ons klaar.

Er waren andere tekens dat het eind in zicht was, en ook daarover heb ik heel open kunnen praten met de mensen van de palliatieve dienst. Mijn moeder begon op een bepaald moment overleden familieleden te zien in haar kamer. Toen ik het daarover had, zei het personeel daar alleen maar “Ah, is het al zover?”. Het was duidelijk dat dat erbij hoorde, dat dat normaal is op het einde. “Zij die ons vooraf gegaan zijn”: voor mij heeft dit nu een diepere betekenis gekregen. Al geloof ik er niet in, toch voelt het alsof overleden naasten echt klaarstaan om je op te vangen als je sterft. Een troostende gedachte.

Wat ik ook merkte, is dat mijn moeder soms onrustig aan haar lakens pulkte. Niets om je zorgen over te maken, zeiden ze me. Dat wordt in de volksmond “je pakje maken” genoemd: ze is in gedachten haar spullen bij elkaar aan het rapen, ze maakt zich klaar om te vertrekken. Het deed me deugd om zo gewoon over de dood en over sterven te kunnen praten. En ergens stelde het idee dat ook sterven blijkbaar volgens een “patroon” verloopt, me gerust.’

Foto KotK/Leo De Bock

‘Het ging nu snel achteruit, mijn moeder was echt op. De voorlaatste avond heeft ze nog een sterk slaapmiddel gekregen, waardoor ze een hele goede nacht had. Ze is helder wakker geworden en heeft de volgende uren nog afscheid kunnen nemen van de hele familie. Door de goede zorgen is dat toch nog een mooie dag geworden. Ik heb toen beslist om die nacht te blijven slapen bij haar, en het is toen dat ze gestorven is. Ik merkte dat ze midden in de nacht onrustig werd, vroeg wat er scheelde, en ze antwoordde alleen maar “Salut, salut”, en zwaaide naar alle hoeken van de kamer. “Je hebt het heel goed gedaan, als je wilt mag je nu gaan”, heb ik haar nog gezegd. Ik weet niet precies waarom ik dat zei, maar ik voelde dat dat haar zou helpen, en het kwam recht uit mijn hart. Het stelde haar gerust, een half uur later is ze rustig overleden.

Het was een voorrecht om dit hele proces te kunnen meemaken, en mijn moeder in haar laatste momenten te mogen bijstaan. Ik ben heel dankbaar dat ze zo rustig is kunnen gaan, mede dankzij de goede zorgen van de palliatieve dienst. Het heeft me veel geleerd over het leven en de dood. Wij schermen de dood tegenwoordig te veel af, maar hij hoort bij het leven. Het is niets om bang van te zijn. Als mijn tijd is gekomen, hoop ik ook in alle rust te kunnen gaan.’

Meer lezen over palliatieve zorg en zorg bij het levenseinde

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.