Diagnose: beeldvorming

Zeer veel tumoren kunnen met radiologisch onderzoek in beeld gebracht worden. Meestal worden in het begin eenvoudige röntgenfoto’s gemaakt, omdat dat meestal snel gaat en al zeer veel nuttige informatie kan opleveren. Volstaan deze beelden niet of zijn ze onvoldoende om bijvoorbeeld een operatie voor te bereiden, dan volgen onderzoeken waarbij meer gedetailleerde beelden gemaakt worden:

Röntgenonderzoek

Röntgenfoto longen

Röntgenstralen zijn een ontdekking van Konrad Röntgen. Hij ontdekte op het einde van de 19de eeuw dat met zeer sterke X-stralen doorheen het lichaam kan gekeken worden, wat in die tijd zelfs een kermisattractie werd. Toen besefte men nog niet dat die stralen ook gezondheidsrisico’s inhielden; vandaag wordt er heel wat voorzichtiger met röntgenstralen gewerkt en wordt al het mogelijke gedaan om te voorkomen dat patiënt en personeel onnodige stralen te verwerken krijgen. De stralingsdosis bij het nemen van röntgenfoto’s is sowieso zeer laag.

Röntgenstralen of X-stralen zijn vergelijkbaar met gewoon licht, maar ze zijn onzichtbaar voor het menselijke oog en ze kunnen door materie vliegen. Lucht, water, vet en spieren houden röntgenstralen bijna niet tegen; bot en metaal daarentegen stoppen de stralen bijna helemaal.

Het beeld dat we op de foto zien, is een ‘plat’ beeld waarbij dingen die zich bijv. vooraan op de borstkas bevinden niet te onderscheiden zijn van iets wat tegen de rug aan zit. Daarom worden bijna altijd twee foto’s gemaakt: eentje van voren naar achteren en een tweede van links naar rechts.

Bot en dicht weefsel maar ook bijv. ringen, knopen en bh-haakjes worden op een röntgenfoto afgebeeld als witte of doorzichtige figuren tegen een zwarte achtergrond. Lucht en weefsel als de longen zien er donker of grijs uit ten opzichte van de botjes.

Het beeld dat we op de foto zien, is een schaduw van een driedimensionaal voorwerp. Met andere woorden een ‘plat’ beeld waarbij dingen die zich bijvoorbeeld vooraan op de borstkas bevinden niet te onderscheiden zijn van iets wat tegen de rug aan zit. Daarom worden bijna altijd twee foto’s gemaakt: eentje van voren naar achteren (ook ‘face’ genoemd) en een tweede van links naar rechts (ook ‘profiel’ genoemd). Door beide foto’s naast mekaar op te hangen aan een lichtbak kan de radioloog zich een beeld vormen van waar bepaalde structuren zich werkelijk in het lichaam bevinden.

Radiografie met contraststof

Radiografie met contraststof darm

Soms zijn de verschillen in dichtheid voor röntgenstralen tussen de verschillende weefsels zo klein, dat een arts niet voldoende details kan zien. Als we bijvoorbeeld willen zien of er binnen in de darm een gezwel zit, dan is het met gewone röntgenfoto’s vaak niet mogelijk om het verschil te zien tussen het gezwel, de darm en het vocht of de voeding in de darm. Door de patiënt een papje te laten drinken met barium (een stof die röntgenstralen zeer sterk tegenhoudt), wordt de inhoud van de darm op de foto zeer wit en tekent een eventueel gezwel zich als een zwarte bol in het wit af.

Er zijn zeer veel situaties waarbij contraststoffen gebruikt worden om betere beelden te maken.

CT-scan

CT-scan urineblaas

Bij een CT-scan of computertomografie worden er met röntgenstralen vanuit verschillende hoeken gedetailleerde doorsneden van het lichaam genomen. Het toestel licht het lichaam (of lichaamsdelen) schijfje voor schijfje door en is verbonden met een computer die de verschillende beelden samenbrengt tot één gedetailleerd beeld in drie dimensies. Om zeker te zijn dat alle schijfjes mooi op mekaar aansluiten, is het zeer belangrijk dat de patiënt de hele tijd van de opname zeer stil ligt. Meer nog, als er opnamen van de buik of de borst gemaakt worden, is het belangrijk dat alle opeenvolgende foto’s in de zelfde ademhalingsstand worden gemaakt. Bij het ademen beweegt het middenrif gemakkelijk enkele centimeters op en neer en als daar niet op gelet wordt tijdens de opnamen, is de foto helemaal niet interpreteerbaar. Vandaar dat een patiënt onder een CT-scan telkens te horen krijgt: “Niet ademen!” en “U mag weer ademen!”.

MR-scan (MRI)

MR-scan Een MRI is pijnloos en ongevaarlijk. Het toestel maakt wel harde, kloppende geluiden waardoor u een koptelefoon krijgt. Het onderzoek kan tot een uur duren, dat hangt af van het te onderzoeken lichaamsdeel.

Met een MR-scan of MRI (in het Engels magnetic resonance imaging) wordt een magnetisch veld opgewekt waarmee beelden van het inwendige van het lichaam gemaakt worden. Eigenlijk worden signalen uit het lichaam opgevangen en door een krachtige computer vertaald in een beeld. Er komen geen röntgenstralen aan te pas en er komt dus geen straling vrij. Het onderzoek is pijnloos en ongevaarlijk. Het MRI-toestel maakt wel relatief veel lawaai, waardoor u soms een koptelefoon krijgt tijdens het ondezoek om het ongemak te verminderen.

Wie een prothese, stents of andere vreemde objecten in het lichaam heeft, meldt dit gewoon aan de behandelend arts. Een MRI wordt soms gebruikt als aanvulling op een röntgenonderzoek, zowel voor als na een ingreep, omdat er een aantal tumoren — maar zeker niet alle — beter zichtbaar mee kan gemaakt worden. Deze methode is veel duurder dan de andere methoden én duurt over het algemeen lang. Door die beperkingen wordt meestal zuinig omgesprongen met een MRI en wordt magnetische resonantie alleen toegepast als andere foto’s cruciale gegevens niet kunnen leveren.

Mammografie

Mammografie

De mammografie is een gewone radiografie of röntgenfoto van de borsten. Het mammografietoestel waarmee een mammogram gemaakt wordt, is erop voorzien om een borst klem te houden tussen twee doorzichtige platen.

De letsels die bij een mammografie worden opgespoord, zijn meestal ontzettend klein. Om die reden moet het het toestel dus erg scherpe foto’s kunnen maken.

Botscan

PET-scan hersenen

Een botscan (ook botscintigrafie of skeletscintigrafie genoemd) is een techniek om beelden van beenderen te maken op een computerscherm.

Voor een botscan wordt een kleine, ongevaarlijke hoeveelheid radioactief materiaal ingespoten bij de patiënt. Die stof verspreidt zich via het bloed, verzamelt zich in het bot en wordt daar opgespoord door een scanner.

Op de botscan kan men op een uiterst nauwkeurige manier zien of de kanker zich verspreid heeft naar het skelet.

PET/CT-scan

PET-scan Bij een PET-scan wordt licht radioactieve glucose (suiker) ingespoten en met een scanner een computerbeeld gemaakt van de plaatsen in het lichaam waar de stof zit. Alles bij elkaar duurt het onderzoek ongeveer 2 uur.

Bij een PET-scan (Engels: positron emission tomography) wordt een kleine hoeveelheid radioactieve glucose (suiker) ingespoten om eventuele tumoren overal in het lichaam zichtbaar te maken op foto. Kwaadaardige cellen zijn namelijk heel actief en hebben een hoger energieverbruik; ze hebben dus meer brandstof (of glucose) nodig. Als nu zo’n glucose ingespoten wordt, kan men met een PET-scan goed zien waar er in het lichaam meer glucose opgenomen wordt en waar er dus meer kwaadaardige cellen zitten. Niet alle tumoren zijn echter duidelijk zichtbaar op een PET-scan en ook niet-kwaadaardig ontstekingsweefsel (zoals een tandabces of een longontsteking bijv.) zal tekenen op een PET-scan. Om de tumoren correct te lokaliseren in het lichaam wordt het onderzoek gecombineerd met een CT-scan die door hetzelfde toestel uitgevoerd kan worden, vandaar de naam PET/CT-scan.

De patiënt moet nuchter zijn. Hij krijgt een kleine hoeveelheid radioactieve glucose ingespoten in zijn arm, gevolgd door een halve liter vocht (via een infuus). Het duurt een uur voor de stof overal in het lichaam verspreid is en de opnames gemaakt kunnen worden. In die wachttijd wordt gevraagd om te rusten om het energieverbruik van de spieren zo laag mogelijk te houden. Het zijn namelijk niet de spieren die de glucose moeten opnemen, maar de actieve kwaadaardige cellen.

Tijdens de scan zelf ligt de patiënt op een onderzoekstafel. Het onderzoek (van hoofd tot lies) duurt 30 tot 40 minuten. Hierna wordt gecontroleerd of alle opnames gelukt zijn en of alle delen van het lichaam goed in beeld gebracht zijn. Zoniet, dan worden eventueel extra opnames gemaakt. In totaal duurt het onderzoek ongeveer twee uur.

Echografie

Een echografie is een onderzoek dat een beeld maakt aan de hand van geluidsgolven. Omdat bij veel kankers uitzaaiingen worden gevonden in de lever, behoort een echografie van de lever bijna tot de standaardonderzoeken van de oncoloog. Een echografie wordt ook wel gebruikt als begeleiding bij een punctie of een naaldbiopsie.

Endoscopie

Endoscoop

Een endoscopie is een kijkonderzoek. De arts kijkt in het lichaam. Hij gebruikt hiervoor een dunne buis of slang waaraan een lampje en een camera zitten. Dit heet een endoscoop. De arts brengt de slang in, bijvoorbeeld in de keel. Via de luchtwegen kan hij de longen bekijken. Via de slokdarm kan hij bijvoorbeeld de maag bekijken.

Afhankelijk van de plaats die de arts bekijkt, heeft het onderzoek een andere naam:

  • keel: laryngoscopie
  • longen: bronchoscopie
  • slokdarm: oesofagoscopie
  • maag: gastroscopie
  • maag en twaalfvingerige darm: gastroduodenoscopie
  • dikke darm: coloscopie, sigmoïdscopie en rectoscopie
  • blaas: cystoscopie
  • baarmoeder: hysteroscopie
  • buik: laparoscopie

Endo-echografie

Een endo-echografie is een combinatie van een endoscopie en een echografie, en wordt o.m. gebruikt om een beter beeld te krijgen van de tumor.

Dit onderzoek is een combinatie van een endoscopie en een echografie. Het wordt o.m. gebruikt om een beter beeld te krijgen van de tumor. Typische voorbeelden hiervan zijn gezwellen van slokdarm, maag, alvleesklier en endeldarm. In een aantal gevallen wordt de echo-endoscopie ook gebruikt om cellen of weefsel uit het gezwel te halen voor onderzoek onder de microscoop (punctie). Typische voorbeelden hiervan zijn puncties van alvleeskliertumoren of verdachte klieren in de borst- of buikholte. Dit kan dus bij een endoscopie van de slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, dikke darm - endeldarm of luchtwegen.