Column Frieda Joris - Van stigma tot kunst

Als een boeket rozen de boezem van mijn vriendin weer in bloei kan zetten, waarom niet?
Frieda Joris
Uit Leven, editie 77, januari 2018

Frieda Joris, journaliste en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Fotograaf: Silvie Bonne

Ik klik het bericht in mijn mailbox open en word op mijn nuchtere maag geconfronteerd met een reeks bebloemde boezems. Geen borsten verpakt in fleurige lentejurkjes uit de nieuwe lente- en zomercollectie, neen. De camelia’s, waterlelies en rozen zijn met vaste hand op het blote vel getekend en zorgen bij mij voor een klein shockeffect. Want tattoos, ik ben daar niet zo gek op en zeker deze niet. Ze maken de buste van de vrouwen in kwestie wereldvreemd en mijn eerste gedachte bij het zien van de foto’s is dan ook: waarom doen die dames dat in godsnaam? Tieten hoeven geen verfraaiing, tenzij misschien een mooi kanten balconnet-behaatje. Blote blanke borsten zijn mooi zoals de natuur ze voorzien heeft. Enfin, meestal toch.

Pas als ik het bijschrift lees, valt mijn euro. Het gaat het om vrouwen met gereconstrueerde borsten die de littekens door een tattoo-artist hebben laten wegwerken. Ze hebben de stigma’s tot kunst verheven, van de nood een deugd gemaakt. Faut le faire, en het is geen toeval dat vriendin L. me die foto’s mailt. L. is net als ik een ex(?)-borstkankerpatiënt met een lijf dat nog altijd sporen draagt van de doorstane ellende. We hebben allebei, in de mate van het mogelijke, de boel laten herstellen. Weer twee heuveltjes van Erika maar zijn ze zoals in het liedje een streling voor het oog? Alleen met wat fantasie. Ik bekijk de witte lijnen die het scalpel blijvend achterliet met een filosofische blik. Niet meer dan een kenmerk van de strijd die, hout vasthouden, hopelijk gestreden is. Voor L., die een dubbele borstamputatie heeft ondergaan, ligt dat helemaal anders.

‘Ik kan die littekens en vooral die deuk niet meer uitstaan’, mailt ze. ‘Het is alsof er een hond een stuk uit mijn borst hapte. Vroeger hield ik van mijn lichaam. Nu niet meer. Een nieuwe operatie zie ik niet meer zitten, vandaar dat ik een kunstenaar bij de arm wil nemen om de schade met een tatoeage weg te werken. Wat denk je?’

Ik schrik en in een eerste opwelling wil ik haar tegenhouden. ‘Stel’, pruttel ik, ‘dat je die rozen of die waterlelies beu wordt. Wat dan? Die tekeningen op je huid krijg je ook nooit meer weg.’

‘Het kan nooit erger worden dan nu’, antwoordt ze. ‘Ik voel me niet meer sexy, ik ben zo misvormd door die rotkanker. Ik durf gewoon niet meer uit de kleren voor een man.’

Ik bijt op mijn lip en besef wat een zondagskind ik ben. Veertig jaar getrouwd met een man die niet afgeknapt is op al mijn metamorfoses. Bruin, rood, blond. Dun en wat dikker. Twee borsten. Eén borst. Weer twee borsten waarvan één enigszins gemutileerd. Allemaal goed, mijn huwelijk is ertegen bestand. Je moet de rozen met de doornen nemen vind ik, maar ik heb makkelijk praten. L. is alleenstaande met als enige respons die spiegel waarin ze vooral haar eigen verbijstering ziet.

Misschien, heel misschien, kan zo’n trompe-l’oeil dus wel werken, twijfel ik nu. Als een boeket rozen haar boezem weer in bloei kan zetten, waarom niet? Deuk aan het zicht onttrokken, littekens ook. En het is geweten. Aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.